Waarom zou je er niet gewoon vandoor gaan, weg van alles? | World Challenge

Waarom zou je er niet gewoon vandoor gaan, weg van alles?

David WilkersonFebruary 1, 1980

Bijna overal waar ik tegenwoordig kom, hoor ik mensen zeggen: ‘Ik wilde dat ik gewoon ervandoor kon gaan, weg van alles.’ En dan, na een trieste pauze: ‘Maar ik zou niet weten waar naartoe. Ik kan nergens heen. En ik zou er waarschijnlijk toch te laf voor zijn.’ Pas bekende mijn kapper terwijl hij mijn haar aan het knippen was: ‘Gisteren belde ik een paar vluchtmaatschappijen voor informatie over vluchten naar Hawaï. Ik had plotseling het verlangen om alles te verkopen, weg te lopen van mijn zaak en verplichtingen, naar de warme zonneschijn van Hawaï te vliegen en daar op het strand te gaan liggen.’ Na een diepe zucht vervolgde hij: ‘maar ik kon de moed niet bij elkaar krijgen. Dus blijf ik mezelf maar naar m’n werk slepen, en de problemen zullen blijven hangen.’

Haar huwelijk heeft alle fleur verloren; ze verveelt zich en is rusteloos; niemand lijkt haar te begrijpen. Sommige dagen zijn wel fijn, maar de meeste schijnen gewoon onverdraaglijk. Ze vraagt zich af of het dit alles wel waard is. Ze betwijfelt of ze ooit echt gelukkig zal zijn – en er zijn af en toe momenten dat ze tegen zichzelf zegt: ‘Ik wil gewoon mijn boeltje pakken en maken dat ik wegkom – maakt niet uit waarheen – als het maar weg is!’

Hij is de dagelijkse routine zat – moe van het harde werken, terwijl hij alleen maar verder achter raakt. Hij voelt de zware last van een opgroeiend gezin in deze ingewikkelde tijd, en hij begint te denken: ‘Hoe lang kan ik dit volhouden? Hoe lang moet ik de problemen van anderen blijven oplossen? Iedereen zit altijd maar aan me te trekken, en ik houd zelf niets meer over. Ik wil gewoon weg van dit alles.’

Het huis is mooi, de auto’s zijn prima, het leven is op zich redelijk comfortabel – maar het brengt geen geluk. Er blijft een bepaalde leegte hangen, een niet te verwoorden soort van verlangen naar meer in het leven, buiten het huwelijk. Ze herinneren zich betere dagen, oude dromen en verwachtingen, en het lijkt alles uitgelopen te zijn op een heel ander soort bestaan dan wat ze gehoopt hadden. De glans is eraf, en de vreugde van het samen delen en de liefde wordt overschaduwd door problemen en de zorgen in het leven. Ze houden veel van hun kinderen, maar hun problemen maken het alleen maar nog gecompliceerder.

Er komt een tijd dat zelfs de meest geduldige, tere, vertrouwende Christen in een crises beland, die zijn ziel in gevoelens van hulpeloosheid en wanhoop stort. Alles lijkt verkeerd te gaan, en er lijkt geen einde te komen aan de problemen. Op zo’n moment wordt de drang om weg te lopen heel sterk. Zoals David, de psalmist, roepen we van binnen uit: ‘Oh, als ik toch vleugels had als een duif – ik zou wegvliegen naar een afgelegen woestijn en deze storm ontvluchten…’.

Hun liefde voor God is sterk, en ze zouden de Heilige Geest nooit verdriet willen aandoen. Maar ze voelen zichzelf ingesloten. Er zijn dingen waar ze lang over gebeden hebben, die een antwoord nodig hebben, of zelfs een wonder. Ze zijn ervan overtuigd dat God getrouw is, en dat Hij zorgt voor Zijn kinderen en hun gebeden verhoort. Maar, om de één of andere onverklaarbare reden, wordt hun gebed niet beantwoord – nu nog niet tenminste. Hoe hard ze ook hun best doen, hun huwelijk gaat maar niet vooruit. De kinderen blijven doorgaan in hun dwaasheid, en de dagelijkse problemen stapelen zich op. Vaak wordt de financiële druk ook steeds zwaarder. Telkens als er net een crises voorbij is, komt de volgende er alweer aan. Ze beginnen zich af te vragen of het leven nog iets anders is dan een lange serie van lasten en problemen. En wat ze het minst begrijpen, is dit: ‘Als ik bid, in echt geloof, en ik krijg geen antwoord, ligt het dan aan mij? Doe ik iets verkeerd? Heb ik gefaald voor de Heere, of is er een zonde die het antwoord blokkeert?’ Of ze beginnen innerlijk wrok te voelen tegen God, die hen zo negeert, juist nu ze Hem zo nodig hebben.

Bijna iedereen heeft wel zo zijn problemen. Ooit vertelde Oral Roberts me: ‘Er waren tijden dat ik het liefst gewoon weggelopen was van alles. Soms zijn de lasten overweldigend, maar weglopen lost niets op.’ Wijlen Kathryn Kuhlman, die krachtig gebruikte evangeliste, die duizenden gediend heeft, vertrouwde me eens toe: ‘David, meer dan eens heb ik overwogen om gewoon weg te lopen van alles. Wat zou het heerlijk zijn om ’s ochtends wakker te worden zonder alle verantwoordelijkheden en lasten.’

Ook ik heb dit soort momenten gehad, dat ik op het eerste vliegtuig zou willen stappen, en wegvluchten naar een rustige, onbekende plaats, ver weg van alles. Nooit heb ik in mijn leven ook maar de gedachte gehad om weg te lopen van God of van mijn geloof. Ik heb nooit weg willen lopen van mijn gezin of van mijn bediening. Ik wilde vooral, net als zoveel anderen, wegrennen van de eisen en de zaken die de neiging hebben om een mens te verstrikken en tot slaaf te maken – zodat er geen tijd overblijft om te groeien.

Zoveel zogenaamde vluchtelingen zijn zoals de vrouw in Dallas, Texas, die bekende: ‘Ik was allang vertrokken, als ik maar wist waarheen. Waar kan een vrouw van 45 jaar oud naartoe gaan? En wat zou ik doen, als ik er aankwam? Het lijkt erop dat ik hier vast zit voor de rest van mijn leven.’

Een man schreef: ‘Ik liep weg – voor één week! Langer haalde ik niet. De eenzaamheid en wanhoop werd alleen maar meer. Alleen zijn hielp helemaal niet. Ik voelde me ellendig, en ik besefte dat je nooit weg kan lopen van een probleem – je moet blijven, en de rit uitzitten.’

Dit zeggen de meeste mensen die weggelopen zijn. Ze vertellen van schuldgevoelens – angst – leegheid – veel erger dan wat ze hadden voor ze ervandoor gingen. En de meest trieste verhalen komen van degenen die terug wilden – maar niet meer konden. Het is nooit hetzelfde als je teruggaat. De dingen veranderen drastisch als je wegloopt van je gezin, van je verplichtingen, van je werk. Zelfs als je bij nader inzien besluit terug te gaan, en het ‘opnieuw te proberen’ – andere dingen veranderen. Situaties veranderen. En net als het gebeurde bij Ezau, wordt je geboorterecht uit je handen gewrongen en aan een ander gegeven. Je zult nooit meer dezelfde zijn; iets is verloren gegaan dat niet meer terug kan komen.

Als het falen schaamte met zich meebrengt, voelen ze zich op een bepaalde manier tot schande gemaakt, en ze kunnen niemand meer recht in de ogen kijken – ze kunnen alleen maar denken aan ervandoor gaan. Het is een manier om jezelf te straffen, alsof je zegt: ‘Ik ben een mislukkeling. Ik ben iedereen tot last. Het beste wat ik kan doen is bij iedereen uit de buurt blijven. Ik breng altijd problemen, dus ik vertrek gewoon, dan heeft niemand last van me. Niemand kan van me houden; Ik kan mijn hoofd niet hoog houden; ik kan net zo goed maken dat ik wegkom.’

Dat is de eerste reactie van de man of vrouw die betrapt wordt op overspel. De schuldige partij huilt tranen van schande, en biedt aan om te vertrekken. ‘Okay, ik weet wat ik heb gedaan. Ik ben een smeerlap, ik ben waardeloos. Jij verdient beter. Ik weet dat jij en God me nooit zullen vergeven, dus ik pak gewoon wel m’n boeltje en maak dat ik wegkom.’ In veel gevallen gaat de schuldige weg, om vervolgens aan iedereen te vertellen: ‘Ik ben het huis uitgetrapt. Ik deed mijn best om er nog iets van te maken, maar mijn echtgeno(o)t(e) wilde niets meer met me te maken hebben.’

Meisjes rennen vaak weg als een vriend hun hart breekt. Een gebroken hart is voor een meisje de meest wrede en traumatische ervaring die er bestaat. Zonder Gods hulp is het bijna onmogelijk om er overheen te komen. Dus gaan ze ervandoor, en blijven rennen – weg van God, weg van het gevoel van eigen waardeloosheid, en van de innerlijke pijn. Jonge mannen lopen weg van hun werk, en als ze op een dood punt zijn aangekomen. Bijna dagelijks krijg ik brieven van jonge mannen die full-time werk zoeken ‘in wat voor bediening dan ook.’ Ze geven toe dat ze het gevoel hebben niets te bereiken in hun leven. Ze voelen alsof ze alsmaar rennen, zonder rustpunt in zicht – tot ze iets, wat voor werk dan ook, kunnen vinden, wat hun behoefte vervult, en de leegte wegneemt. Daarom geloof ik dat het grootste deel van de tegenwoordige jonge weglopers niet zozeer ergens vandaan vlucht, maar juist naar iets toe probeert te vluchten, naar iets wat de moeite waard is. Ze zijn op zoek, niet zozeer op de vlucht.

Klinkt dit te pessimistisch? Klink ik nu alsof ik denk dat de meerderheid van de Christenen rusteloos is, neergebogen in wanhoop, zonder vertrouwen, met het verlangen om ervandoor te gaan? Laat ik het zo klinken, alsof er geen overwinning is in Christus – geen leven van vreugde – vrede en geluk? Laat ik het klinken alsof de meeste huwelijken verschraald zijn, en dat de meeste mannen en vrouwen alleen maar weg willen?

Dat is niet de bedoeling van deze boodschap. God zij dank voor alle gelukkige, goed aangepaste, gesettelde christenen, die geen problemen, pijn of moeilijkheden hebben. God zij dank voor degenen die genieten van een huwelijk zonder zware lasten. God zij dank voor christenen die leven, ademen en spreken in geloof en overwinning. Dat is het doel wat God voor ons heeft – een leven van totaal vertrouwen, kinderlijk geloof, en overwinning over alle macht van de vijand. Maar sommigen van ons zitten nog middenin de strijd. Sommigen van ons bidden vurig voor dingen die nog niet gekomen zijn. Sommigen van ons, vol van geloof en overwinning, moeten nog familieproblemen doorstaan, ziekte, gebroken harten, en beproevingen. Wij hebben de Heere ook lief, en we kennen de vrede met God. Maar we kunnen niet liegen over onze gevoelens, en we kunnen ons niet verschuilen van de strijd om ons heen. Denk niet dat wij een soort tweede klas christenen zijn omdat we af en toe uitroepen, zoals de Heere Jezus: ‘Heere, waarom hebt Gij mij verlaten?’ Denk niet dat we godslasteraars of twijfelaars zijn omdat we soms het innerlijke verlangen hebben om weg te lopen van de strijd. Beschuldig ons niet van onvolwassenheid of zwakte omdat we niet alles begrijpen wat God zegt – of hoe we de beloftes moeten toepassen – of hoe we verhoring moeten krijgen op onze gebeden. En alsjeblieft, vertel ons niet, dat wij (die nog huilen en het uitroepen vanwege de pijn, het lijden, en het niet kunnen begrijpen) moeten lachen, dat we altijd gelukkig en succesvol moeten zijn. Zelfs de heilige apostel Paulus sprak van ‘onverdraaglijke lasten, zo zwaar dat we zelfs aan ons leven wanhoopten.’

Daarom zorgde Hij in Israël ook voor vrijsteden, waar mensen in een crises naartoe konden vluchten voor een schuilplaats en bescherming. Zes steden werden apart gezet, zodat elke Israëliet die onverwacht overweldigd werd door een probleem zou kunnen vluchten naar een van deze steden, opdat hij zou leven.

Tegenwoordig hebben wij zelfs nog iets beters. God heeft voor een Sterke Toren gezorgd, waar we altijd naartoe kunnen vluchten, en die ons altijd zal helpen in tijden van nood.

‘De naam des HEREN is een sterke toren; de rechtvaardige ijlt daarheen en is onaantastbaar.’ (Spreuken 18:10)

David vluchtte, in tijden van moeilijkheden, naar de Rots. Jezus nodigt ons allen uit om te schuilen onder Zijn vleugels. Als velen van Zijn discipelen Hem verlaten, vraagt Hij de twaalf: ‘Willen jullie ook niet weggaan, net als de anderen?’ Petrus antwoordde Hem: ‘Heere, waar zullen we heengaan? U hebt de woorden van het eeuwige leven.’ Petrus wist dat Jezus de enige schuilplaats was – de enige rustplaats.

Denk eens aan een arme, verachte homo, die pas zijn ‘geliefde’ is verloren. Hij drinkt om zijn schuldgevoelens en wanhoop te doden. Hij leeft voortdurend in angst en kwelling, eenzaam en bang. Hij kan nergens heen – omdat hij geen Christus heeft. Hij heeft geen beschermende vleugel, geen schuilplaats in de storm.

Denk eens aan alle verbijsterde mannen en vrouwen, die opgesloten zitten in een hopeloos huwelijk – niet in staat om te communiceren, niet in staat om een brug te slaan over de kloof tussen hen in. Ze drinken; ze bedriegen; ze leven in kwelling en wantrouwen. Ze hebben geen hoop, en rennen weg van elkaar. Ze zoeken tijdelijke vergetelheid op alle mogelijke manieren – pillen, alcohol, ontrouw – maar het maakt hen alleen maar depressiever. Ze hebben geen Zaligmaker om naartoe te vluchten. Ze hebben geen sterke toren, waar ze alle kwade machten kunnen ontvluchten. Wat een jammerlijk leven!

Maar zo is het niet voor een kind van God! Wij weten waar we heen kunnen gaan! Er is geen plaats op deze aarde, waar we onze problemen en moeiten kunnen ontvluchten – Hij is alles wat we nodig hebben. Waar zullen we dan heengaan? Naar wie zullen we ons keren? Naar Hem! Kun je Hem niet horen roepen: ‘Kom tot Mij, allen die vermoeid en belast zijn, en Ik zal u rust geven’?

Je zult het in geen miljoen jaar begrijpen. Als de vijand binnenkomt als een sterke vloed, en je probeert mee te sleuren en op de vlucht te jagen in angst, vlucht dan naar je binnenkamer van gebed en stort je hart uit voor God. Leg al je klachten voor Hem neer, vertel Hem alles, en houd niets binnen voor Hem. Laat een rivier van tranen stromen als je ze hebt. Als je geen tranen meer hebt, geef het gewoon op, en laat Hem het heft in handen nemen. Dan zul je stilstaan, en de verlossing van de Heere zien.

Als je gefaald hebt, als je gezondigd hebt – belijd het! Bekering is eenvoudigweg een wanhopig verlangen naar verandering! Je kunt wegvluchten in de vergevende armen van Jezus, gereinigd worden, en voortgaan, sterk en geheiligd.

Luister niet naar de leugens van de Satan, die zegt dat je in een hopeloze situatie zit. Deze zware beproevingen die je nu doorstaat, kennen alle christenen, en God zal je niet meer te dragen geven, dan je kunt hebben.

‘Geliefden, laat de vuurgloed, die tot beproeving dient, u niet bevreemden, alsof u iets vreemds overkwame. Integendeel, verblijdt u naarmate gij deel hebt aan het lijden van Christus, opdat gij u ook met vreugde zult mogen verblijden bij de openbaring Zijner heerlijkheid.’ (1 Petrus 4:12,13)

‘Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking te doorstaan. En God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij ertegen bestand zijt.’ (1 Korinthe 10:13)

Download PDF